Eyck, Charles

Positie 20, Henricus II, Gerarduskerk, 1937

Charles Eyck, algemeen

Charles Eyck (Meerssen, 1897-Schimmert, 1983) veelzijdig en enorm productief kunstenaar: schilder, tekenaar, monumentaal kunstenaar, beeldhouwer. Belangrijkste Limburgse kunstenaar uit de eerste helft van de 20ste eeuw.
Charles wordt geboren als vijfde kind in een eenvoudig katholiek gezin van veertien kinderen. Zijn vader was schoenmaker. Al op jonge leeftijd blijkt Charles een buitenbeentje. Zijn interesse gaat uit naar cultuur, tekenen en lezen. Op 10-jarige leeftijd wordt hij ernstig ziek (tegelijk bof, roodvonk, typheuze koortsen, middenoorontsteking) met als gevolg blijvende doofheid en beperkt in zijn spraak, waardoor hij de lagere school niet kon afmaken. Deze handicap was van grote invloed op zijn verdere leven en kunstenaarschap. (Hij communiceert voornamelijk via zijn talloze schilderijen en tekeningen, en zijn correspondentie bestaat uit duizenden brieven.) In deze periode begon hij meer dan ooit te tekenen en schilderen. De enige die toen interesse toonde voor zijn tekentalent was neef Hubert Eyck, onderwijzer in Heerlen. Hij verschafte hem ook schetsboeken en tekenmateriaal en liet hem kennis maken met Vlaamse schrijvers als Streuvels, Gezelle en Timmermans.
In Meerssen volgde hij de avond-teekenschool St. Jozef van 1910 tot 1915 en kreeg daar tekenles van Jos Tilmans. Hij behaalde het diploma handtekenen en schilderen. Via Jos Tilmans krijgt hij een baantje als leerling-decoratieschilder van serviesgoed bij de Maastrichtse aardewerkfabriek Société Céramique. In 1915/16 is hij nog enige tijd werkzaam als huisschilder. In zijn vrije tijd schildert hij Zuid-Limburgse landschappen. Tijdens zijn zwerftochten rond Meerssen maakt hij kennis met schilder Jan van Puyenbroeck, een Belgische vluchteling.
Maria Viola (1871-1951), kunstcritica en medewerkster van het Algemeen Handelsblad en het maandblad Van Onzen Tijd, zorgde er samen met neef Hubert Eyck voor dat Charles terecht kon op het doofstommen-instituut te Rotterdam. Tegelijkertijd kon hij o.a. lessen volgen bij de schilder Johannes Heijberg aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten (thans Willem de Kooning Academie). Zijn verblijf in Rotterdam was helaas van korte duur. Door een ernstige ondervoeding (het was de periode van de Eerste Wereldoorlog) moest hij een aantal weken worden opgenomen in het ziekenhuis.
Terug in Meerssen ontmoette hij de schilder en tekenaar Willem van Konijnenburg (Den Haag, 1868-1943). Mede door zijn toedoen en van Jan van Puyenbroeck besluit Charles Eyck naar Amsterdam te gaan voor een opleiding aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. (Willem van Konijnenburg onwikkelde zich later nog tot een belangrijk monumentaal kunstenaar, o.a. samen met Joan Collette ontwerper van glas-in-loodramen in de Nieuwe kerk in Delft.)
Tijdens en vooral na zijn studie hebben vele vrienden een belangrijke stimulerende rol in zijn leven gespeeld. Een van zijn beste vrienden was de onderwijzer en kunstliefhebber Charles Gemmeke uit Maastricht. Charles en zijn vrouw Elise hebben Charles Eyck ook financieel ondersteund tijdens zijn moeilijke jaren van armoede tussen 1917 en 1928.
Zijn studie aan de Amsterdamse Academie duurde van 1918 tot 1922. Vooral de lessen van Antoon Derkinderen (Den Bosch, 1859-Amsterdam, 1925) over de monumentale glas- en wandschilderkunst zijn voor de artistieke ontwikkeling van Charles van grote invloed geweest. Brengt hem de monumentale samenhang van kunstwerk en ruimte bij. Derkinderen was een groot voorstander van de zgn. gemeenschapskunst (monumentale kunst): een kunst die weergaf wat in een gemeenschap leefde, die bestemd was voor die gemeenschap en haar plaats had in openbare gebouwen. Zijn ideaal zag hij verwezenlijkt in de middeleeuwse kathedraal: een Gesamtkunstwerk gebaseerd op een gemeenschappelijke religieuze beleving.
Een belangrijk moment in de carrière was het winnen van de Prix de Rome in 1922 met het schilderij “De Verloren Zoon”. Aan de prijs was een studiebeurs verbonden. Onder strenge voorwaarden mocht hij op rijkskosten studiereizen maken naar kunststeden in Frankrijk en Italië (1922-’26). Van de jury kreeg hij opdracht onder meer copieën te maken van de fresco’s van Giotto en fra Angelico en van de mozaïeken in Ravenna. De invloed van deze fresco-schilders is vaak nog terug te zien in zijn latere monumentale kunst.
In Italië ontmoette hij de Zweedse kunstenares Karin Meyer met wie hij in 1924 in Stockholm voor de wet trouwde. Samen trokken ze door Frankrijk waar ook hun dochter Anne-Margit werd geboren (1925). Ze wordt geboren met een zware handicap. Onder de naam Bimba is ze door vader Charles honderden keren getekend en geschilderd. De ouders van Karin in Zweden namen de zorg voor Bimba op zich. Als het geld van de studiebeurs op is, keert het echtpaar terug naar Amsterdam. Na korte tijd leidden ze weer een zwervend bestaan in Frankrijk, waar ze in bittere armoede leefden.

Al die tijd maakt Charles zonder veel succes schilderijen en tekeningen. Zijn eerste succes boekte hij in Parijs (1929), als hij dankzij zijn contacten met de bekende schilder Jules Pascin in de kunstzaal van Blanche Guillot kan exposeren en al zijn 30 geëexposeerde werken kan verkopen. Wel werd erop gewezen dat zijn werk sterk beïnvloed leek door de Franse schilders Dufy, Utrillo en de Vlaminck.
Ondanks zijn succes in Parijs accepteerde hij het aanbod om in de Vincentiuskerk in Rumpen (Brunssum) een grote muurschildering te maken. (Hij moest wel eerst voor de kerk trouwen.) Dit werd zijn eerste monumentale opdracht (1928/1929) als kerkschilder. Tevens kreeg hij de opdracht voor twee glas-in-loodramen, die waarschijnlijk zijn vroegste ramen zijn (1929).

Charles Eyck, Catharina Labouré, middenraam (1929),  Vincentiuskerk

Hierna volgden al snel meer opdrachten zoals de cyclus van bijbelverhalen voor de O.L. Vrouw Ontvangenkerk in Terwinselen (1930) en de muurschilderingen in de Antoniuskerk in Heerlen-de Vrank (ca. 1930).
In 1932 volgt de wandschildering van het koor en de kruisweg in de kapel van de St. Josephkweekschool in Zeist. Door deze eerste grote kerkschildering op nationaal niveau werd Charles Eyck ook landelijk als groot monumentaal kunstenaar erkend. Hij krijgt nu opdrachten voor kerken, gemeentehuizen, bedrijfsgebouwen, banken en scholen overal in het land. Zijn grote wandschilderingen kenmerken zich door de vrije en losse vorm van compositie en een grote decoratieve kracht.
In 1937 krijgt hij een eervolle regeringsopdracht om voor het Nederlands paviljoen op de wereldtentoonstelling in Parijs een religieuze muurschildering te maken. Van een internationale jury ontvangt hij hiervoor de hoogste onderscheiding: de Grand Prix. Op de tentoonstelling ontmoette hij Pablo Picasso die in het Spaanse paviljoen zijn Guernica exposeerde. Beide kunstenaars werden in die jaren als gelijkwaardig beschouwd. Als tekenaar was Eyck geweldig trefzeker en productief. Elke lijn stond op de goede plaats, en hij was een virtuoos schilder. Als bezwaar werd echter ingebracht dat hij nooit iets zelf bedacht, niet met nieuwe ideeën kwam.
In het glasatelier van Joep Nicolas leert Charles Eyck het glazeniers-ambacht.
Begin jaren dertig raakt Charles Eyck betrokken bij het Utrechtse tijdschrift “De Gemeenschap”, opgericht in 1925. In het blad verschenen artikelen over cultuur, kunst en politiek. Met een katholieke geloofsinspiratie als basis verlangde de redactie naar meer artistieke vrijheid en openheid, ook ten aanzien van niet-katholieken. Het blad richtte zich tot de progressief- katholieke intellectuelen en kunstenaars van Nederland. “De Gemeenschap”is van grote invloed geweest op de artistieke ontwikkelingen van Charles Eyck. Hij ontmoette kunstenaars met verwante ideeën; hij wilde een gemeenschapskunstenaar zijn, dienstbaar aan de samenleving, op katholieke grondslag, maar wel op zoek naar nieuwe vormen, zonder ondergeschikt te zijn aan tradities, conventies of katholieke dogma’s.
Bij het tijdschrift kreeg hij de kans om zijn virtuoos tekentalent uit te leven in talloze illustraties, omslagen, tekeningen en vignetten. Hij publiceerde vele artikelen waaronder reisimpressies. Ook leverde deze Utrechtse periode belangrijke persoonlijke contacten en opdrachten op. Het contact met de dichter Bertus Aafjes resulteerde in een lange vriendschap en samenwerking.
In de jaren dertig volgt weer een periode van rondreizen met vele verblijfplaatsen o.a. Fontenay-aux-Roses ten zuiden van Parijs, waar zoon Ragnar in 1931 wordt geboren. Eind 1938 gaat het gezin Eyck in het door hemzelf ontworpen huis ‘Ravenbos’ (Schimmert) wonen dichtbij zijn geboorteplaats Meerssen. Hij voelde zich nauw betrokken bij het dorpsleven en ze zouden er niet meer weggaan.
Tijdens de oorlogsjaren was Ravenbos een onderduikadres voor Willem Sandberg (de latere directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam en de journalist Fred van Leeuwen). Charles Eyck weigerde lid te worden van de Kulturkammer, waardoor grote opdrachten uitbleven. Schilderijen en tekeningen bleken een goed ruilmiddel.
Na 1945 beleeft Eyck nog een bloeiperiode als glazenier. Tot begin jaren zestig krijgt hij veel opdrachten voor ramen in overheidsgebouwen en vooral in kerken die als gevolg van de oorlog hersteld of herbouwd moesten worden. In deze periode maakt hij ook veel beelden en plastieken, zoals het Limburgs Bevrijdingsmonument en de kruiswegstaties in de Koepelkerk in Maastricht. Een van de grootste (8m hoog) en belangrijkste naoorlogse opdrachten was het Bevrijdingsraam voor de St. Janskerk in Gouda (1947) vervaardigd door atelier Flos in Steyl.

In 1948 krijgt hij de officiële opdracht om de inhuldigingsplechtigheid van koningin Juliana in de Nieuwe kerk te Amsterdam te schilderen. Het resultaat “Het Kroningsschilderij” ondervond veel kritiek in de landelijke dagbladen. Vooral schilderkunstig zou Eyck er volledig naast zitten.
Voor de nieuwe stromingen op kunstgebied van de jaren vijftig en zestig kon hij weinig begrip opbrengen, van de abstracte kunst moest hij absoluut niets hebben en hij verzette zich er krachtig tegen. In een onwaarschijnlijk groot aantal brieven verwoordde hij zijn visie. De dove en daardoor verbaal moeilijk communicerende Charles Eck maakte in zijn geschriften van zijn hart geen moordkuil. Hij krijgt het verwijt van een gebrek aan zelfkritiek.
In de jaren vijftig maakte hij reizen naar Spanje en de Nederlandse Antillen in de hoop op inspiratie om zijn schilderkunst zodanig te kunnen vernieuwen dat hij aansluiting zou vinden bij de naoorlogse generatie kunstenaars. daarin is hij niet geslaagd, en dat zag hij zelf ook wel in.
Door de secularisering van de maatschappij, de leegloop van de kerken en het taboe op kerkelijke kunst was er een eind gekomen aan de grote aantallen kerkelijke opdrachten voor monumentale kunstwerken.
Zijn laatste grote kerkschildering maakte hij in het Noord-Franse dorpje Jeantes-la-Ville (1962). De “opdracht” kwam via zijn vriend Bertus Aafjes tot stand en werd door hem geheel gratis uitgevoerd. De gemeenschapskunstenaar schilderde samen met de 18-jarige Hans Smeets voor de laatste keer weer een ‘biblia pauperum” op de kerkmuren in een taal die de eenvoudige boerenmensen van het dorpje kunnen verstaan.
In de loop van de jaren zestig trok hij zich steeds meer terug in zijn atelier van de Ravenbos. Hij bleef tot zijn dood doorgaan met schilderen en tekenen voor de vrije markt. Van de eigentijdse, moderne kunstwereld had hij zich echter afgekeerd. Charles Eyck in de jaren twintig zelf avant-gardist was blijven steken in de jaren dertig.
Na een hartinfarct in 1980 verblijft Charles Eyck een aantal maanden in het ziekenhuis. Hij overlijdt op 2 augustus 1983 86 jaar oud in zijn huis Ravenbos.
Zijn nalatenschap bestaat uit duizenden schilderijen en nog meer tekeningen (zijn produktie was ongeëvenaard: elke dag minstens één en diverse tekeningen was normaal), minstens 7000 m² muurschilderingen, 2000 m² glasramen en 25 kruiswegen.

Charles Eyck, glazenier

Charles Eyck wordt evenals Henri Jonas en Joep Nicolas beschouwd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van wat genoemd wordt de “Limburgse School”. De “Limburgse School” was een stroming van Limburgse kunstenaars (geen collectief, geen manifest) die in het interbellum van de twintigste eeuw een voor Nederland geheel eigen oeuvre en stijl ontwikkelden en tot bloei brachten binnen de monumentale wand- en glasschilderkunst in voornamelijk de rooms-katholieke kerkgebouwen. De stijl wordt omschreven als picturaal, barok, decoratief, figuratief en schilderkunstig. De schilderachtige, speelse, beweeglijke en illustratief verhalende expressionistische stijl van de Limburgse kunstenaars verschilde sterk van de gestileerde statische en tweedimensionale stijl van de Amsterdamse Rijksacademie van Beeldende Kunsten (Derkinderen, Roland Holst). (Zie voor een uitvoerige bespreking van de Limburgse School het hoofdstuk van Karin Daamen-Heeskens in het boek ‘Charles Eyck 1897-1983″).
Het merendeel van de opdrachten voor glas-in-loodramen van Charles Eyck kwam uit Limburg en Brabant. Omstreeks 1930 leerde Eyck de praktisch-technische kanten van de glazenierskunst in de ateliers van Joep Nicolas in Roermond en Gerard Mesterom in Bunde. Na de oorlog werkte hij vooral samen met atelier Flos in Steyl (Tegelen) en met atelier De Reek in Maastricht van zijn zoon Ragnar Eyck (1931-2011).
Stilistisch gezien is er een onderscheid tussen zijn vooroorlogse en na-oorlogse jaren. De ramen gemaakt voor de oorlog worden gekenmerkt door het picturale en schilderachtige karakter: beweeglijk, zwierig met uitbundig gebruik van grisaille (Limburgse School). De vorm van de vensteropening, de voorstellingen en de loodlijnen hebben nauwelijks of geen relatie met elkaar. De loodlijnen zijn vaak louter functioneel van aard. Voorbeelden hiervan zijn de Gerardus Majellakerk in Heerlen-Heksenberg (1937) , de Bernardinuskapel in Heerlen-Akerstraat (1932) en de Vincentiuskerk in Brunssum-Rumpen (1929). De twee ramen in de Vincentiuskerk behoren tot zijn vroegste oeuvre, gemaakt na zijn studiereis in Italië.
Zijn ramen van na de oorlog bleven picturaal en illustratief van karakter, maar het zwierige en beweeglijke maakten plaats voor een strengere lineaire stijl. De invloed van de romaanse en byzantijnse kunst werd zichtbaar, de figuurtekening krachtiger en het kleurgebruik harmonieuzer. De zware grisaillebehandeling is afgenomen. Verder vallen op de maskerachtige gelaatstrekken, de starre houdingen en de lange handen van de figuren. Typische voorbeelden van de na-oorlogse stijl zijn de ramen in de Martinuskerk in Venlo (1948) en “Het Zonnewonder van Fatima-raam” in de Onbevlekt Hart van Mariakerk/Fatimahuis in Weert (1956).
Vanaf de jaren vijftig is in sommige ramen een kinderlijke expressiviteit aanwezig in de in vrolijke kleuren weergegeven en groots opgezette composities, waaruit het perspectief is verdwenen, zoals in de serie ramen “Het Limburgse Volksleven” in het sanatorium Hornerheide (1954).
Behalve in kerkelijke gebouwen treft men ook ramen van Charles Eyck aan in profane gebouwen, voorbeelden zijn de ramen in de stationshal in Maastricht (1949-’52) en de net genoemde ramen in Hornerheide (1954).

Charles Eyck, Zonnewonder te Fatima, Weert (1956)

Kerkramen in de Oostelijke Mijnstreek:

Vincentiuskerk in Brunssum-Rumpen (1929)
Antonius van Paduakerk in Heerlen-de Vrank (1930)
Bernardinuskapel in Heerlen-Akerstraat (1932)
Gerardus Majellakerk in Heerlen-Heksenberg (1937)
Johannes de Doperkerk in Eygelshoven (1948)

Bronnen:
Carine Hoogveld (red.), Glas in Lood in Nederland 1817-1968 (Den Haag, 1989) 236, 237
Een kerk vol verhalen, St. Centrum voor religieuze Kunst en van het Monfortaanse Erfgoed (GenHout, 2015) 62-73
Jos Pouls (eindred.), Charles Eyck 1897-1983, kunstenaar tussen vernieuwing en traditie, St. Historische Reeks Maastricht (1997)
Website Kerkgebouwen in Limburg/kunstenaar Charles Eyck
www.houthem.info/pages/charles eijck.htm,  Het leven van Charles Eijck [Charles Eyck], (Heemkunde vereniging Houthem-St.Gerlach, 2003).

 

 

contact

Wilt u meer informatie, heeft u vragen of heeft u zelf meer informatie? Laat uw gegevens achter en ik neem zo spoedig mogelijk contact op.

Uw gegevens worden niet opgeslagen op deze website maar uitsluitend gebruikt om contact op te nemen.